fbpx

De oude slotgracht van kasteel Paddenpoel

Paddenpoel | Zuid-Holland

04 april 2021 | Joost Grefkens


Paddenpoel, meer naar water kan een naam bijna niet verwijzen. Het land rondom Leiden is sinds mensenheugenis een natte bende geweest. Doorstoken van rivieren, sloten, grachten, weteringen en poelen. In het bescheiden gebied tussen Oegstgeest en Leiden, nu ingeklemd tussen studentenwoningen, wegen en universiteitsgebouwen lag ooit een gehucht dat Paddenpoel heette en naamgever werd van een kasteel van aanzien. 

Van kasteel Paddenpoel (destijds ook wel Podikenpoel of kortaf Poel genoemd) is nagenoeg niets over. Duizenden passanten rijden hier in onwetendheid langs of over de oude slotgracht en weermuren.

Het kasteel is geen lang leven beschoren geweest. De eerste melding als slot, voorheen een (versterkte?) hoeve, komt in 1390 voorbij, waarbij het goed opnieuw in leen wordt gegeven aan het graafschap Holland. Keer op keer gaat Paddenpoel door de handen van plaatselijke adel; na “van Egmond” komt “van Oegstgeest” en “van Wassenaar” voorbij, burggraven van Leiden. Slechts twaalf jaar na deze vermelding als kasteel, wordt het, zoals zoveel huizen hier in de regio, meegetrokken in de Hoekse en Kabeljauwse twisten, waarbij het als graaflijke vergelding wordt geslecht. Toch komen de restanten weer in handen van een Hoek die er terstond een nog grotere burcht laat optrekken. Het mag allemaal niet baten. Twintig jaar later wordt de burcht wederom vernietigd, ditmaal door een onstuitbare noviteit: kanonnen, door de Kabeljauwse hertog van Beieren geïmporteerd uit het buitenland. Het was de genadeklap voor het middeleeuws steen. De schamele fundamenten dienden tot de basis van een stichtelijk klooster, dat op zijn beurt ook weer geen eeuwig lot beschoren was toen de Spanjaard aan de horizon verscheen.

Kasteel Paddenpoel is een trots kasteel geweest, zetel van de burggraven van Leiden. Een vierkant waterslot, bestaande uit hoofd- en voorburcht. Het bezat stenen weermuren rondom, een stevige woontoren, een poortgebouw, woon en dienstgebouwen en ook een kapel, dit alles omgeven door een brede gracht.

Er bestaat geen enkele afbeelding of indruk van, alleen een plattegrond, zwart-wit, opgetekend aan de hand van opgravingen vorige eeuw. Daarna kwamen er studentenflats die er nog altijd staan.

Rij erlangs, of zoek het op op het internet (coördinaten 52.170206, 4.476396) en je vindt ze, vierkanten blokkendozen van vijf hoog. Ertussen liggen ze, de nauwelijks zichtbare restanten van het slot, deels gelegen in het water dat nog alom aanwezig is, overblijfsel van gracht en wetering. Eromheen groen gras, enkele bomen en een grote doorgaande weg die genoemd is naar de meest illustere bewoner, Filips IV van Wassenaar, gestorven in gevangenschap van de hertog. Kijk daar in het water waar op twee plaatsen de poel wordt ingesneden, dat is al wat rest. De ene, wat rommelige plek bedekt met een ferme rietkraag die tegen de flat aanschurkt, de andere plek is een kaarsrechte structuur die van wal de poel in steekt, geheel overwoekerd door oeverplanten. Precies daar, alleen voor het blote oog te zien nu, liggen, in het heldere water verzonken, keurig in verband de grote bakstenen die ooit een krachtige muur droegen: de zuidwestelijke weermuur van het verdwenen kasteel Paddenpoel.

Bronnen:
— Leidsch Jaarboekje 1966, Historische Vereniging Oud Leiden. Een kwestie van tijd door G.P. Rodenburg en Ir. H.H. Vos
— Het Goed van Oegstgeest, Freek Lugt