Het luxe bad van Johanna van Westrenen

Heeze | Noord-Brabant

29 januari 2021 | Rob Gruben


Een lekker ontspannen doucheje op z’n tijd, dat kan iedereen wel waarderen. In de middeleeuwen sprak men van een stortbad, maar dat klinkt minder aangenaam, omdat wij dat tegenwoordig associëren met koud water.

Een prachtig laatnegentiende-eeuws exemplaar van een warme douche – gemaakt uit een frame van bamboe en integraal verplaatsbaar – trof ik in 2011 aan in het Engelse landhuis Calke Abbey. Dat is trouwens sowieso de moeite van bezichtiging waard, omdat men er de situatie heeft geconsolideerd van het moment in 1880 waarop de familie in verband met onderhoudskosten driekwart van het kasteel afsloot en simpelweg liet verkommeren. Vergane glorie van de hoogste orde! Ongerepte geschiedenis zonder museale opsmuk. Dat kan alleen in Engeland.

Introductie van het bad
Mag de douche een latere en effectieve vinding zijn, het bad is natuurlijk al eeuwenoud. In 1554 is er al sprake van een ‘badstove’ op de kastelen Bronkhorst en Eerbeek. Maar dat is nog niet eens de vroegste vermelding, want al in 1528 wordt er in de rekeningen van kasteel Duurstede een met koper bekleed bad genoemd. Het water ervan werd verwarmd door een bijbehorende kacheloven. Toch worden pas vanaf de achttiende eeuw de vermeldingen van badkamers of -kuipen in kastelen en landhuizen talrijker. Die spaarzame toepassing had alles te maken met de complicaties die de aanleg van een bad met zich meebracht. Bedenkt u maar: er moesten aan- en afvoerleidingen voor het water worden aangelegd, alsmede een deugdelijke riolering. Verder moest er natuurlijk een ‘installatie’ zijn voor het verwarmen van het water, als men tenminste niet met emmers of kuipen vol heet water heen en weer wilde lopen. Zo’n installatie was bijvoorbeeld de kacheloven van kasteel Duurstede. Verder moest het bad, dat in die vroege tijd zonder uitzondering was uitgevoerd in (natuur)steen, goed worden gefundeerd, want de lichtste verzakking zou al meteen het risico van een scheur en dus een lek met zich meebrengen. Om de kou van het in de vloer verzonken stenen (soms betegelde) bad tegen te gaan, werd er in kasteel de Wildenborch te Vorden een op maat gemaakte houten binnenkuip aangebracht. Het hout voelde aangenaam warm. Daarom paste men dat ook toe als zitting in middeleeuwse kasteelprivaten. Vandaar nog onze uitdrukking ‘over de balk gooien’. Uitdrukking in dit geval letterlijk op te vatten! Zeer waarschijnlijk is de badkuip met houten binnenbekleding in de Wildenborch aangelegd in opdracht van Damiaan Hugo Staring (1736-1783), de vader van de beroemde dichter, die het huis in 1780 had verworven en niet lang daarna woonvleugels liet toevoegen. Eén daarvan werd dus voorzien van een verzonken badkuip. Pas aan het einde van de achttiende eeuw duiken de eerste vermeldingen op van baden in rijke patriciërshuizen in stedelijke context.

Kasteel Heeze
Zonder twijfel de meest bekende badkuip vinden we op kasteel Heeze. Daar werd hij in 1797 aangelegd in opdracht van Johanna van Westrenen (1776-1862). Guus Braun meldde mij dat zij een zeer kunstzinnige en kunstminnende vrouw was, die van luxe en weelde hield, en die nog veel meer verfraaiingen in het kasteel liet aanbrengen. Het verhaal gaat dat zij geïnspireerd werd door gelijksoortige baden in Pompeï, de stad die in die tijd werd opgegraven
en die ze mogelijk tijdens haar Grand Tour heeft bezocht. Eloy Koldewij vermoedt in zijn artikel ‘Vorstelijk baden’ uit 2015 (in het tijdschrift Arcadië) daarentegen dat het bad geïnspireerd is door een exemplaar op het Duitse Schloβ Schwetzingen in Baden-Württemberg. Hoe het ook zij, het bracht in die dagen veel tongen en pennen in beweging. Eén predikant verklaarde ten aanzien van het bad zelfs het ‘geen wonder te achten, het land zo veranderd te zien
in onrust en tegenspoed, als getrouwde vrouwen dergelijke hemeltergende zonden bedrijven’. Te Heeze was men er zich overigens zeer bewust van wat de aanleg van een dergelijke moderniteit met zich meebracht. Zo liet men het sleutelgatvormige bad aanleggen op de begane grond: veel makkelijker voor het benodigde leidingwerk en het aanbrengen van een zware fundering. De bodem werd uitgevoerd in blauwe Belgische hardsteen, de bakstenen wanden werden bekleed met tadelakt, een Marokkaans type stucwerk. De aanvoer van het water (uit de nabij gelegen rivier de Aa) geschiedde door een pomp in een naastgelegen kamer. De afvoer loosde rechtstreeks op de kasteelgracht. Om het bad ongezien te bereiken vanuit de slaapkamers op de eerste verdieping, werd een speciale
trap gebouwd. Het mag duidelijk zijn: een dergelijke schrobbeurt moest je in die dagen echt wel plannen!

Dit artikel is eerder verschenen in het blad Kasteel&Buitenplaats, nr. 61, mei 2018. Bekijk hier het artikel.